
Kegel (vrouwelijke bloei) van de Atlasceder

Mannelijke bloei
|
Boom van het seizoen
Atlasceder
De Atlasceder komt van oorsprong voor in het Atlasgebergte van Algerije en Marokko tussen 1600 en 2000 m.
Deze boom kan 40 m hoog worden en is niet echt geschikt om te planten in kleinere tuinen.
De blauwe Atlasceder (Cedrus libani 'Atlantica Glauca') wordt tegenwoordig als een ondersoort van de Libanonceder (no. 545) gezien.
In de Himalaya groeit de Cedrus deodara (de godenzetel) en op Cyprus de kleinste ceder: Cedrus brevifolia (no. 42 en 121).
In de hoogste gedeelten van het gebied van oorsprong sterft de Atlasceder uit en verjongt het cederbos zich niet.
De tonvormige kegels zijn circa 5 tot 8 cm lang en 3 tot 5 cm breed. In de late herfst verschijnt de mannelijke en vrouwelijke bloei. Het gele stuifmeel bevrucht de groene kegels die pas het volgend najaar volgroeid zijn. Een jaar later is het zaad pas rijp.
Het hout is zoetgeurig en bevat een vluchtige olie.
Er bestaan enkele tuinvormen, zoals de zuilceder ('Fastigiata' no. 183a en 412) en de treurceder ('Glauca Pendula' no. 520). De zuilceder kan wel in kleinere tuinen worden geplant.
|
|
|

Cedrus libani 'Atlantica Glauca'
|

Cedrus libani subsp. atlantica (Marokko)
|